— Praktijk

412 gesprekken later: wat we nog niet weten.

Na vier jaar narratieve praktijk en vier honderd twaalf gesprekken verwachtten we dat het model dichtgetimmerd zou zijn. Het tegendeel is waar. Een eerlijk stuk over wat we inmiddels weten, en wat nog open blijft.

Raymond Kraakman
14 april 20263 min lezen

Na vier jaar narratieve praktijk en vier honderd twaalf gesprekken verwachtten we dat het model dichtgetimmerd zou zijn. Het tegendeel is waar. Een eerlijk stuk over wat we inmiddels weten, en wat nog open blijft.

Dit is geen klaagzang. Het is een observatie die ik belangrijk vind om op te schrijven, juist nu NarraTyx uit de deur gaat. We verkopen een product met een model eronder — het Narratieve Kompas — en ik vind het belangrijk dat klanten weten hoe we naar dat model kijken. Niet als de waarheid over hoe mensen werken. Als een kaart die we voortdurend bijtekenen, op basis van terrein dat zichzelf blijft verplaatsen.

Wat we wél weten.

Laat ik beginnen met wat we na 412 gesprekken wél met redelijke zekerheid durven te zeggen. Dit zijn geen universele wetten — het zijn patronen die we keer op keer zien terugkomen, en die overeenkomen met wat de literatuur erover schrijft.

Mensen vertellen zichzelf drie of vier keer per gesprek opnieuw. Elke keer iets scherper, iets dichter bij iets dat eerder niet hardop werd gezegd. Onze gesprekken duren doorgaans 60 tot 75 minuten. De echte verschuiving komt bijna nooit in de eerste twintig, en bijna altijd ergens tussen minuut 35 en 55. Wie dat weet, kan er ruimte voor maken in het ontwerp van een gesprek.

De zes dimensies zijn stabiel, hun relatieve gewicht niet. Narratief, emotioneel, cognitief, sociaal, gedragsmatig, identiteit. Die indeling blijkt — voor de meeste gesprekken — een bruikbare kapstok. Maar welke dimensie voorop loopt, wie het gesprek stuurt, wie de dominante verteller is binnen iemand? Dat verschilt enorm.

De lastigste momenten zijn niet wanneer iemand niets te zeggen heeft. Ze zijn wanneer iemand iets zegt waarvan ze zelf, bij terugluisteren, schrikken.

Wat we niet weten.

En nu de moeilijkere kant. Vier kwesties waar we na 412 gesprekken nog steeds geen sluitend antwoord op hebben, en die ik ook niet denk te krijgen in de volgende 412.

1. Hoeveel taal nodig is

We werken overwegend met mensen die vlot zijn in het Nederlands of het Engels. Wat gebeurt er bij mensen die taal-arm zijn, of die in hun tweede taal praten? We denken dat het werkt, maar de gesprekken die we tot nu toe deden waren niet representatief genoeg om dat hard te maken.

2. Wat het verschil maakt tussen een profiel en een label

Elk profiel dat we aan iemand teruggeven is bedoeld als uitgangspunt voor verder gesprek. Maar mensen hebben een neiging om zichzelf vast te leggen in een beschrijving die ze acceptabel vinden. Een profiel dat iemand mooi vindt, wordt een label.

3. Hoe lang het profiel klopt

Als iemand zes maanden later terugkomt, hoe veranderd is het profiel dan? We vermoeden: deels, want mensen veranderen, en grotendeels niet, want de onderliggende narratieve structuren zijn taai.

Waar dat ons brengt.

Op operationeel niveau betekent dit dat we voorzichtig blijven met claims. Geen "wetenschappelijk bewezen", geen "meer dan 95% accuraat", geen badges. Onze marketing zegt wat we eerlijk waar kunnen maken.

We verkopen geen antwoord. We verkopen een betere vraag.

We zijn bij 412. We hopen bij 4.120 nóg niet te denken dat het klaar is.